Een directeur van een ingenieursbureau krijgt in juli een offerte binnen voor een "AI Act-training": twee uur per medewerker, met certificaat voor het dossier. In een reactie eronder vraagt de privacyfunctionaris of dit nu verplicht is. Het eerlijke antwoord: de verplichting bestaat, maar een training in die vorm is niet verplicht.
Artikel 4 van de AI-verordening geldt sinds 2 februari 2025. Aanbieders en gebruiksverantwoordelijken (in gewoon Nederlands: wie een AI-systeem maakt en wie het onder eigen verantwoordelijkheid gebruikt) moeten maatregelen nemen voor een toereikend niveau van AI-geletterdheid bij hun personeel en bij anderen die namens hen AI-systemen gebruiken. Wat toereikend is, hangt af van kennis, ervaring, opleiding en de context van het gebruik. Een training, een certificaat of een aantal uren staat er niet in.
Wat staat er precies in artikel 4?
De tekst is kort. Aanbieders en gebruiksverantwoordelijken nemen maatregelen om, zoveel als in hun vermogen ligt, te zorgen voor een toereikend niveau van AI-geletterdheid bij hun personeel en bij andere personen die namens hen AI-systemen bedienen en gebruiken. Daarbij houden ze rekening met de technische kennis, ervaring, opleiding en training van die mensen, met de context waarin de systemen worden gebruikt, en met de personen op wie de systemen worden toegepast. Zo staat het in Verordening (EU) 2024/1689.
Dezelfde verordening omschrijft AI-geletterdheid als de vaardigheden, de kennis en het begrip die nodig zijn om AI-systemen met kennis van zaken in te zetten en om je bewust te zijn van de kansen, de risico's en de mogelijke schade. Het gaat dus niet om programmeren. Het gaat erom dat je weet wat je gebruikt, wat het niet kan en wanneer je een uitkomst niet zomaar overneemt.
Twee begrippen verdienen aandacht. Een "gebruiksverantwoordelijke" kan een ziekenhuis zijn dat een triagesysteem inzet, maar evengoed een kantoor waar mensen met een chatbot een offerte opstellen. En "namens hen" reikt verder dan wie op de loonlijst staat: ook inhuurkrachten en leveranciers die met jullie AI-systemen werken, vallen eronder.
De Digital Omnibus van juli 2026 maakte van de bepaling een inspanningsverplichting: maatregelen nemen die de ontwikkeling van AI-geletterdheid ondersteunen. Wat dat wel en niet verandert, staat in de tijdlijn van de AI-verordening na de omnibus. Voor de vraag wat je moet doen, maakt het weinig uit: de verplichting blijft, en wat ze inhoudt, hangt nog steeds af van de context.
Waarom schrijft de wet geen training voor?
Omdat dezelfde bepaling moet gelden voor een fabrikant van medische software en voor een boekhoudkantoor met acht mensen. Eén vaste norm zou voor de een te licht zijn en voor de ander te zwaar. De wetgever koos daarom voor een open norm: de organisatie bepaalt zelf wat toereikend is en moet die keuze kunnen uitleggen.
De Europese Commissie heeft dat in het voorjaar van 2025 bevestigd in haar vragen en antwoorden over AI-geletterdheid. Een certificaat is niet vereist, een formele kennistoets voor medewerkers evenmin, en Brussel komt niet met een vast trainingspakket. Een organisatie legt zelf vast welke maatregelen ze heeft genomen. Wij konden die pagina bij het schrijven van dit stuk niet zelf openen en baseren ons op meerdere juridische samenvattingen ervan; lees de tekst zelf voordat je er beleid op bouwt.
Diezelfde Commissie houdt een verzameling praktijkvoorbeelden bij, een "living repository" met wat organisaties zelf hebben ingericht: van formele trainingen tot werkoverleg over wat wel en niet in een prompt hoort. Daar valt veel van af te kijken, met één kanttekening die de Commissie er zelf bij zet: wie een voorbeeld overneemt, voldoet daarmee niet automatisch aan artikel 4.
Wat is toereikend voor welke rol?
De vraag is niet "hoeveel uur training?", maar "wat moet iemand in deze rol begrijpen om AI verantwoord te gebruiken?". Dat verschilt per rol, en precies die verschillen leg je vast.
| Rol | Wat iemand moet kunnen | Wat je vastlegt |
|---|---|---|
| Gebruikt een chatbot voor tekstwerk | Weet welke gegevens er niet in horen, welke tools zijn toegestaan en dat een antwoord altijd controle nodig heeft | De uitleg die deze groep kreeg en het besluit per tool |
| Gebruikt AI bij besluiten over mensen (werving, klantacceptatie, zorg) | Begrijpt hoe het systeem tot een uitkomst komt, wat het mist en wanneer afwijken nodig is | De instructie per systeem en wie erop is ingewerkt |
| Koopt AI-tools in of beoordeelt ze (IT, inkoop, privacy) | Kan leverancier, trainingsbeleid, vestigingsland en risico beoordelen | De vragenlijst en het register van beoordeelde tools |
| Stelt het beleid vast (directie, bestuur) | Kent de status van elke tool, de grens tussen wat wel en niet mag en de eigen verantwoordelijkheid | Het beleid, de besluiten en wie ze nam |
Voor de meeste organisaties ligt het zwaartepunt bij de eerste rij. Daar zit de grootste groep, en daar is de uitleg het eenvoudigst: dit mag, dit niet, en bij twijfel weet je bij wie je terechtkunt. Hoe de AI-verordening en de AVG hier op elkaar aansluiten, staat in ons artikel over wat de AI-verordening en de AVG van bedrijven vragen.
Wie ziet erop toe?
Artikel 4 geldt sinds februari 2025, maar het toezicht kwam later. Sinds 2 augustus 2026 zijn de nationale toezichthouders bevoegd; op die datum ging ook het grootste deel van de verordening gelden. De verordening zelf koppelt geen eigen boete aan artikel 4; welke sanctie erop staat, regelen de lidstaten in nationale wetgeving.
In Nederland regelt de Uitvoeringswet AI-verordening dat. Het wetsvoorstel ging in april 2026 in consultatie en verdeelt het toezicht over bestaande toezichthouders, met een coördinerende rol voor de Autoriteit Persoonsgegevens en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur. Wie in Nederland precies toeziet op artikel 4, en met welke bevoegdheden, ligt daarmee nog niet definitief vast. Schrijf dat ook zo op in je eigen beleid: het is geen reden om te wachten, wel een reden om geen zekerheden te claimen die er nog niet zijn.
De vraag "kun je het aantonen?" komt in de praktijk trouwens zelden het eerst van een toezichthouder. Ze komt van een klant in een aanbesteding, van de accountant, van de ondernemingsraad of na een datalek waarbij een medewerker een dossier in een chatbot heeft geplakt. Dan telt niet of er een training was, maar of je kunt laten zien wat de organisatie had besloten en of dat besluit de medewerker heeft bereikt.
Hoe ziet dat eruit in een gewone organisatie?
Een accountantskantoor met 120 medewerkers laat in het voorjaar iedereen een AI-training volgen. De boodschap: Copilot is toegestaan, cliëntgegevens horen niet in gratis tools en bij twijfel vraag je het de privacyfunctionaris. Van de medewerkers doet 94 procent mee, en de presentielijst gaat in de map.
Een inventarisatie in de zomer laat zien dat naast Copilot ook ChatGPT, Perplexity en een transcriptietool voor vergaderingen in gebruik zijn. Over de transcriptietool is nooit een besluit genomen; twee teams gebruiken hem al maanden voor cliëntgesprekken. Dat is geen incident en ook geen bewijs dat de training mislukte. Het laat zien dat de training één moment was en dat het werk daarna doorging, met tools die er op die dag nog niet waren of die niemand als AI herkende.
Het kantoor doet daarna twee dingen. Het neemt een besluit over de transcriptietool en legt dat vast in het register. En het zorgt ervoor dat wie de tool opent, dat besluit ook te zien krijgt.
Waarom kennis geen garantie is voor gedrag
Die tweede stap is het deel van AI-geletterdheid dat het vaakst ontbreekt. Een training verandert wat mensen weten. Wat ze op donderdagmiddag met een deadline in de nek doen, wordt eerder bepaald door gewoonte dan door kennis. Waarom dat zo werkt, en wat een training wel en niet kan, lees je in ons artikel over awareness-training en gedrag.
Voor artikel 4 betekent dat: kennis overdragen is de eerste helft. De tweede helft is dat het besluit van de organisatie zichtbaar is op het moment dat iemand een AI-tool opent. Niet als blokkade, maar als herinnering: over deze tool is dit besloten, dit is het goedgekeurde alternatief, en gevoelige gegevens in je tekst krijgen een markering voordat je verstuurt. Wie dat inricht, hoeft er niet op te hopen dat mensen zich een uitleg van drie maanden geleden vanzelf herinneren.
Het levert ook iets op voor je dossier. Bij elke melding kun je tellen wat iemand deed: het alternatief geopend of toch doorgegaan. Bij elke markering hoe het afliep: gemaskeerd, verwijderd of toch verzonden. Als aantallen, zonder te zien wie het was. Dat is het verschil tussen "wij hebben een training gegeven" en "wij weten wat er sindsdien gebeurt".