Een teamleider van een vo-school krijgt in de sectievergadering Nederlands de vraag of de nakijktool die twee collega's sinds de zomer gebruiken wel mag volgens de AI-verordening. Diezelfde week staat er op de studiedag een uur AI-geletterdheid op het programma, want dat zou verplicht zijn. De twee vragen horen bij elkaar, en het antwoord op de tweede is korter dan je zou denken.
Artikel 4 van de AI-verordening geldt sinds 2 februari 2025 ook voor scholen. Een school die AI-systemen onder eigen verantwoordelijkheid gebruikt, is gebruiksverantwoordelijke en neemt maatregelen voor een toereikend niveau van AI-geletterdheid bij het personeel dat ermee werkt. Er staat geen cursus in, geen certificaat en geen aantal uren. Wat toereikend is, hangt af van kennis, ervaring en de context van het gebruik, en de wet noemt daarbij uitdrukkelijk de personen op wie de AI wordt toegepast. In een school zijn dat leerlingen.
Waarom geldt artikel 4 voor een school?
De verordening richt zich tot aanbieders en gebruiksverantwoordelijken. Een school bouwt geen AI, maar gebruikt het: een docent die een chatbot een toets laat maken, een mentor die een ouderbrief laat herschrijven, een leermiddel met een adaptieve functie. Wie een AI-systeem onder eigen gezag inzet, is gebruiksverantwoordelijke; de rechtspersoon achter de school is het bestuur. Zo staat het in Verordening (EU) 2024/1689; wat artikel 4 precies zegt en waarom er geen training in staat, is uitgewerkt in AI-geletterdheid in 2026.
De Digital Omnibus van juli 2026 maakte er een inspanningsverplichting van: maatregelen nemen die de ontwikkeling van AI-geletterdheid ondersteunen. Aan wat je doet verandert dat weinig, wel aan de toon van wat je vastlegt: niet "onze docenten zijn AI-geletterd", maar "dit hebben we per rol gedaan, en daarom past het".
Twee formuleringen uit artikel 4 wegen in het onderwijs zwaarder dan elders. "Namens hen" dekt ook invalkrachten, stagiairs en de externe trainer die de examentraining verzorgt. En "de personen op wie de AI-systemen worden toegepast" zijn hier minderjarigen, met gegevens die nergens anders zo bij elkaar staan: naam, geboortedatum, gezinssituatie, zorgverleden, resultaten. De Europese Commissie zegt in haar vragen en antwoorden over artikel 4 dat de context bepaalt wat toereikend is. Voor een school is dat de reden om per rol te kijken.
Waarom ligt de lat in het onderwijs hoger?
Omdat onderwijs een van de acht gebieden in bijlage III is. De verordening noemt daar AI die toelating tot een opleiding bepaalt, leerresultaten beoordeelt, het passende onderwijsniveau vaststelt of verboden gedrag tijdens toetsen opspoort. Een AI-systeem dat voor een van die doelen is bedoeld, geldt als AI-systeem met een hoog risico. Daarvoor gelden vanaf 2 december 2027 de verplichtingen uit artikel 26, waaronder menselijk toezicht door mensen met de kennis en de bevoegdheid om in te grijpen. Doorslaggevend is het beoogde doel dat de aanbieder heeft vastgelegd, en hoe dat precies uitpakt, verschilt per systeem en per school.
Een chatbot die een lesbrief herschrijft of een oefentoets bedenkt, valt daar niet onder. Tekst maken, samenvatten en vertalen staat niet in bijlage III. Het wordt anders zodra een tool is gemaakt om werkstukken te beoordelen, leerlingen op niveau te plaatsen of tijdens een digitale toets op afwijkend gedrag te letten. Hoe je dat onderscheid maakt, lees je in ons artikel over wanneer een AI-toepassing onder hoog risico valt.
Eén categorie valt niet onder hoog risico, maar is verboden: AI die in een onderwijssituatie de emoties van leerlingen afleidt, behalve om medische of veiligheidsredenen. Een tool die in een online les "betrokkenheid" scoort, zet je uit. De overige verplichtingen vind je in ons overzicht van wat de AI-verordening voor werkgevers betekent.
Wat is toereikend per rol?
De vraag is niet hoeveel uur, maar wat iemand in deze rol moet begrijpen om AI verantwoord te gebruiken. Dat verschilt, en die verschillen zijn precies wat je vastlegt.
| Rol | Wat iemand moet begrijpen | Wat de school vastlegt |
|---|---|---|
| Docent die AI gebruikt voor lesmateriaal en administratie | Welke tools zijn toegestaan, welke leerlinggegevens er niet in horen, dat een antwoord gecontroleerd moet worden | De uitleg die deze groep kreeg, en het besluit per tool |
| Docent of mentor die AI gebruikt bij feedback en beoordeling | Dat een cijfer bij de docent blijft, welke tools daarvoor zijn beoordeeld, en wanneer een tool zelf beoordeelt in plaats van helpt | De afspraak per tool, en wie erover is geïnformeerd |
| Intern begeleider, zorgcoördinator, mentor met zorgdossiers | Dat zorgnotities en een ontwikkelingsperspectief bijzondere persoonsgegevens bevatten, die alleen in een beoordeelde omgeving thuishoren | De afspraak welke omgeving dat is, en de uitleg aan deze groep |
| Examensecretaris, toetscommissie | Wanneer een tool onder bijlage III valt, en wat menselijk toezicht dan inhoudt | De beoordeling per systeem, met datum |
| ICT en inkoop | Leverancier, verwerkersovereenkomst via het privacyconvenant, trainingsbeleid, land, risico | De vragenlijst en het register van beoordeelde tools |
| Bestuur en schoolleiding | De statussen per tool, wie een nieuwe tool beoordeelt, en de eigen verantwoordelijkheid als gebruiksverantwoordelijke | Het beleid, de besluiten en wie ze nam |
De grootste groep zit in de eerste rij, en daar is de uitleg het eenvoudigst. Waarom niet iedereen dezelfde uitleg nodig heeft, en wat wel voor iedereen geldt, lees je in het artikel over de vraag of iedere medewerker een AI-training moet volgen.
Hoe ziet dat eruit op een school?
Een bestuur met acht scholen organiseert op elke school een studiedag. De boodschap is overal dezelfde: Copilot met het schoolaccount is toegestaan, leerlinggegevens horen niet in gratis tools en bij twijfel vraag je het de ICT-coördinator. De presentielijsten gaan in de map.
Een half jaar later blijkt uit een inventarisatie dat naast Copilot ook de gratis versie van ChatGPT, MagicSchool, Curipod en een nakijktool voor schrijfopdrachten in gebruik zijn. Over de laatste twee is nooit een besluit genomen. De sectie Nederlands laat de nakijktool een eerste cijfer voorstellen bij betogen, en past dat cijfer meestal aan.
Dat is geen incident. Het laat twee dingen zien. De studiedag was één moment en het werk ging door, met tools die er die dag nog niet waren. En de nakijktool stelt een andere vraag dan de chatbot: beoordeelt de tool, of helpt hij de docent beoordelen? Het bestuur vraagt de leverancier welk beoogd doel is vastgelegd, neemt een besluit over de tool en geeft de sectie een uitleg die verder gaat dan de studiedag: het cijfer blijft bij de docent.
Hoe toon je het aan?
Door het zelf vast te leggen, want een certificaat is niet vereist. Drie soorten bewijs zeggen elk iets anders: de uitleg per rol en wie die kreeg, de besluiten per tool en wat er daarna in het werk gebeurde. Dat laatste ontbreekt op de meeste scholen, en juist daar vraagt een toezichthouder of de medezeggenschapsraad uiteindelijk naar. Hoe de drie zich tot elkaar verhouden, lees je in ons artikel over hoe je AI-geletterdheid aantoont.
Voor dat derde deel moet het besluit van de school zichtbaar zijn op het moment dat een docent een tool opent, en moet je achteraf kunnen zien wat er gebeurde zonder bij te houden wie het was. BeeSensible koppelt een catalogus van AI-tools aan het gebruik dat in de organisatie wordt waargenomen, laat het besluit per tool in de browser zien zodra iemand die tool opent en telt wat die persoon daarna deed. De cijfers zijn geaggregeerd en bevatten geen gebruikers-id. Wat dat voor een schoolbestuur betekent, lees je op de pagina over onderwijs.