Een teamleider bij een ingenieursbureau krijgt een uitnodiging in de agenda: "AI Act-training", twee uur, verplicht voor alle medewerkers. In zijn team van veertig gebruiken dertig mensen Copilot voor mails en verslagen, vier collega's van inkoop beoordelen leveranciers, en twee mensen bij werving zijn net gaan werken met een tool die sollicitaties voorsorteert. Hij vraagt zich af of die drie groepen wel in dezelfde twee uur passen.
Dat hoeft niet, en de wet vraagt het ook niet. Artikel 4 van de AI-verordening vraagt om maatregelen voor een toereikend niveau van AI-geletterdheid, afgestemd op kennis, ervaring en de context waarin iemand AI gebruikt. Eén cursus voor iedereen is één manier om dat in te vullen, maar niet de maatstaf. Wat er precies in artikel 4 staat en wie erop toeziet, lees je in AI-geletterdheid in 2026. Dit stuk gaat over de vraag die daarna komt: wie heeft wat nodig?
Wat vraagt artikel 4 van een team?
De bepaling richt zich tot de organisatie, niet tot de individuele medewerker. De werkgever neemt de maatregelen en houdt daarbij rekening met wat mensen al weten, wat ze doen en op wie het systeem wordt toegepast. De Digital Omnibus van juli 2026 maakte er een inspanningsverplichting van: maatregelen nemen die de ontwikkeling van AI-geletterdheid ondersteunen.
De kern zit in het woord "afgestemd". Een medewerker die een chatbot gebruikt om een verslag leesbaarder te maken, hoeft niet te begrijpen hoe een taalmodel wordt getraind. Iemand die met een systeem sollicitanten voorsorteert, moet wel begrijpen wat dat systeem meeweegt en wanneer afwijken nodig is. Dezelfde training voor beiden is voor de eerste te veel en voor de tweede te weinig.
Wat geldt dan wel voor iedereen die AI gebruikt?
Drie dingen, en ze passen op één pagina.
Welke tools de organisatie heeft toegestaan, welke niet en waar je dat nakijkt. Welke gegevens niet in een prompt horen: persoonsgegevens van klanten en collega's, vertrouwelijke stukken, alles wat onder een geheimhoudingsplicht valt. En dat een AI-antwoord een concept is dat iemand controleert voordat het de deur uit gaat. Wat er wel en niet in een prompt kan, staat uitgewerkt in onze gids over wat je met AI mag delen.
Die basis heeft iedereen nodig die met AI werkt, ook inhuurkrachten die met de systemen van de organisatie werken. Artikel 4 spreekt over personeel en andere personen die namens de organisatie AI-systemen gebruiken. Wie alleen een rekenmachine en de telefoon gebruikt, valt er strikt genomen buiten. In de praktijk zit er in steeds meer gewone software AI, dus een korte basisuitleg voor de hele organisatie is het eenvoudigst.
Wie heeft meer nodig dan de basis?
Drie groepen komen in bijna elke organisatie voor.
| Groep | Wat erbij komt | Welke vorm past |
|---|---|---|
| Gebruikt een chatbot voor tekstwerk (de meeste mensen) | Niets boven de basis | Korte uitleg, en het besluit per tool zichtbaar tijdens het werk |
| Gebruikt AI bij besluiten over mensen (werving, beoordeling, klantacceptatie, zorg) | Hoe het systeem tot een uitkomst komt, wat het mist, wanneer afwijken nodig is, wie toezicht houdt | Instructie per systeem, gegeven door iemand die het systeem kent |
| Beoordeelt of koopt AI-tools in (IT, inkoop, privacy) | Leverancier, vestigingsland, trainingsbeleid, verwerkersovereenkomst, risico | Een vragenlijst en het register van beoordeelde tools |
| Stelt het beleid vast (directie, teamleiding) | De status van elke tool, de grens tussen wat wel en niet mag, de eigen verantwoordelijkheid | Het beleid zelf en de besluiten die erin staan |
De tweede rij weegt het zwaarst, en daar zegt de AI-verordening ook het meest over. AI voor werving, beoordeling, promotie of ontslag staat in bijlage III als toepassing met een hoog risico, en daar horen vanaf 2 december 2027 de plichten van artikel 26 bij, waaronder menselijk toezicht door mensen met de kennis en de bevoegdheid om in te grijpen. Wie dat toezicht houdt, moet het systeem kennen. Dat regel je niet met een algemene cursus; dat regel je per systeem. Wat er voor die groep verder bij komt, staat in ons artikel over wat de AI-verordening voor werkgevers betekent.
Hoe ziet dat eruit in het team van veertig?
Terug naar het ingenieursbureau. De teamleider legt de uitnodiging naast zijn eigen lijstje. De dertig Copilot-gebruikers krijgen de basis: een kwartier in het werkoverleg, de lijst met toegestane tools en de afspraak over klantgegevens. De vier inkopers krijgen de vragenlijst waarmee het bureau tools beoordeelt, en lopen die één keer samen door met de privacyfunctionaris. De twee collega's bij werving krijgen iets anders: een instructie van de leverancier over wat de voorsorteertool meeweegt, en de afspraak dat een mens elke afwijzing bekijkt.
Twee maanden later blijkt bij een inventarisatie dat naast Copilot ook ChatGPT en een transcriptietool voor vergaderingen in gebruik zijn. Over de transcriptietool is nooit besloten. Dat is geen bewijs dat de uitleg mislukte. Het laat zien dat de lijst met toegestane tools van het werkoverleg al achterloopt, en dat er naast de basisuitleg een plek moet zijn waar mensen het besluit kunnen nakijken op het moment dat ze twijfelen.
Hoe neemt iemand de uitleg mee naar het werk?
De uitleg legt de basis. Daarna komt het werk, met een deadline, een nieuwe tool of een tekst waarin één gevoelig gegeven makkelijk over het hoofd te zien is. Hoe training en ondersteuning elkaar daar aanvullen, lees je in ons artikel over de stap van AI-training naar zorgvuldig handelen tijdens het werk.
Voor artikel 4 gaat de basisuitleg daarom goed samen met een besluit dat terugkomt op het moment dat iemand een AI-tool opent: over deze tool is dit besloten, dit is het goedgekeurde alternatief, en gevoelige gegevens in je tekst krijgen een markering voordat je verstuurt. Wie twijfelt, kan het besluit dan zelf nakijken, en de teamleider hoeft de lijst niet elke maand opnieuw rond te sturen.